In elk van deze fasen is digitale ondersteuning mogelijk, zowel voor de professional als de cliënt. Daarbij gaat het niet alleen om registratie en communicatie, maar ook om zorginhoud en een methodisch proces. In welke mate geven apps hier aandacht aan?
- Een diagnose-app zoals Ada helpt de cliënt een diagnose te stellen door een hele reeks vragen te stellen. De nadruk ligt op het verkrijgen van inzicht (beeldvorming), de andere fasen van de PDCA komen niet aan bod.
- Met een activity tracker zoals Google Fit legt de cliënt een 0-meting vast, stelt hij zijn doelen, wordt de mate van beweging bijgehouden (leven) en worden de resultaten (voortgang) in grafieken getoond.
- Een diabetesapp zoals mySugr besteedt juist veel aandacht aan de uitgangssituatie en helpt de cliënt zijn ziekte te begrijpen (inzicht). Daarnaast biedt de app de mogelijkheid om doelen te stellen, acties te benoemen, de glucosespiegel bij te houden (gekoppeld met een glucose¬meter) en trendanalyses te bekijken. Alle vier de stappen van de PDCA komen aan bod.
- Een GGZ-app zoals Karify leert de cliënt over het ontstaan en de gevolgen van zijn angstklachten (inzicht), waarna de cliënt zelf doelen opstelt en aan de slag gaat met oefeningen (leven). Het zorgtraject eindigt met een nameting en een terugvalpreventieplan. Ook hier komen alle PDCA-stappen aan bod.
- Een medicatieapp zoals MedApp helpt een cliënt zijn medicijnlijst te beheren en de medicatie op tijd in te nemen. Er worden geen diagnoses gesteld, doelen vastgelegd of evaluaties uitgevoerd, de app is simpelweg een hulpje in het dagelijks leven. Het is wel mogelijk om het medicatiegebruik te delen met huisarts en apotheek.
Veel eHealth-apps richten zich op de cliënt en niet op de zorgprofessional, ze helpen de cliënt om regie te nemen in zijn eigen gezondheid, maar wel standalone, dus zonder communicatie met de zorgprofessional. Als de app generiek is (diagnoses, medicatie, communicatie) ligt de nadruk meestal op één van de fasen van de PDCA, als de app zich richt op (het voorkomen van) een ziektebeeld, dan komen vaak alle vier de fasen van de PDCA aan bod. De meer geavanceerde apps sluiten aan op hardware zoals een iWatch, een digitale weegschaal of een glucosemeter.
Dus hoe ziet het bos eruit? In mijn visie zijn er drie dimensies om een eHealth-app op te beoordelen:
- Wie is de doelgroep van de app? Cliënt, zorgprofessional of de combinatie?
- Richt de app zicht op een ziektebeeld? Is er zorginhoud? Sluit de app aan op hardware?
- Wordt een methodisch proces gevolgd met voldoende aandacht voor de PDCA?
En dan de hoofdvraag, wat moet een zorgorganisatie hier nu mee? De afgelopen jaren hebben we een consolidatie in de zorg gezien. Veel zorgorganisaties zijn gefuseerd, wat vaak samenging met een standaardisatie van werkprocessen. Tegelijkertijd zien we ook een groei van ZZP’ers en kleine gespecialiseerde zorgorganisaties. 325.000 apps is vanuit het perspectief van een zorgorganisatie heel veel, maar een cliënt met diabetes heeft wellicht aan één goede app voldoende. Eén boom, terwijl de zorgorganisatie voor al die verschillende cliënten een heel bos moet aanbieden.
Ik verwacht dat deze ontwikkeling ook grote invloed zal hebben op ECD-leveranciers. Hoe gaat de uniformiteit van een ECD samen met de pluriformiteit van de cliënten? In een gunstig scenario wordt een ECD de backbone in een breder systeemlandschap. Standaarden zullen ontstaan om apps aan te sluiten. Apps die in hun specialisme van elkaar verschillen, maar wel standaardiseren op communicatie en het methodisch proces. Adapcare werkt nu al aan een toekomst waarin eHealth-apps en Pluriform Zorg volledig geïntegreerd samenwerken. Daarover een volgende keer meer.